Ga direct naar: Inhoudsopgave | Zoeken | Site-navigatie
U bent hier:
Mensen hebben over God uiteenlopende opvattingen. Internet staat er vol van en wellicht zoekt u als bezoeker een helder beeld hoe wij als apostolischen over God denken. Het blijft moeilijk zo’n delicate gevoelskwestie in woorden te vatten. In de apostolische visie is God scheppingskracht. De pracht van het heelal, de aarde met al haar groei, bloei en ongetemde krachten, de geboorte van een kind en alle talenten die we als mens hebben gekregen komen hier ondermeer uit voort. We willen God, de universele kracht die in ontelbare vormen tot uiting komt, in de eerste plaats in mensen zelf zoeken. Soms dwars door het onbegrip en de angst die ons scheiden.
Het Apostolisch Genootschap is gebaseerd op het basale geloof dat alle mensen en de gehele schepping voortkomen uit een eeuwig mysterie. Vanuit dit besef willen we zorgvuldig omgaan met de aarde en met onze medemens, dichtbij en veraf. Van hieruit zoeken we naar antwoorden op talloze vragen, ook actuele en ethische. Hoe gaan we om met ons leven? Welke vrijheid heeft de mens? Wie behoort de aarde? Ons godsbeeld geeft ons geen concrete antwoorden maar wel houvast om onze eigen verantwoordelijkheid te zien. Overigens beweren we als genootschap niet de absolute waarheid te bezitten. We hechten aan onze waardevolle geloofscultuur maar zien deze niet als de enig mogelijke.
Soms word je geraakt door de diepte van woorden of klanken, van beelden of herinneringen. Soms zie je je eigen leven helder in relatie tot de tijd en ontroer je. Wanneer je die ervaringen onbevangen ondergaat, kan het gebeuren dat een gevoel van sprakeloze verwondering in je opstijgt.
Dat ogenblik van ontzag kan een besef van verbondenheid in mensen oproepen waarin ze zich één voelen met wat er om hen is. Zo’n besef spreekt uit een gedicht van de schrijver Abel J. Herzberg, in wiens werk het lot van de joden in de twintigste eeuw centraal staat. In zijn novelle ‘Drie rode rozen’ schrijft een joodse kleermaker, die in de oorlog zijn kinderen en bijna al zijn familieleden verloor, brieven aan de bijbelse Job. In de laatste herinnert hij zich een gedeelte van het gedicht, dat hij ooit in zijn jonge jaren had geschreven: