Statuten Apostolisch Genootschap

Lubbers en Dijk notarissen
Koningslaan 4 ‑ 1075 AC Amsterdam
telefoon: 020 ‑ 5736311
fax: 020 ‑ 6799828
e-mail: mail@lubbers.nl

dossier: MCK/2019.002250.01/mck

GEWIJZIGDE STATUTEN

Heden, 29 oktober 2019 verscheen voor mij, mevrouw mr. Marloes Corine Koster, toegevoegd notaris, hierna te noemen: "notaris", in het protocol van mr. Petrus Leopoldus Elisa Maurice de Meijer, notaris te Amsterdam:

de heer Albert Wiegman, geboren te Amsterdam op achtentwintig juni negentienhonderd zesenvijftig, houder van [...] met nummer [...], afgegeven te [...] op [...], wonende te [...], gehuwd, bij het geven van de volmacht handelende als voorzitter van het bestuur van na te melden rechtspersoon.

Inleiding

De verschenen persoon, handelend als gemeld, verklaarde:

  • Het bestuur van het kerkgenootschap Het Apostolisch Genootschap, gevestigd te Baarn, feitelijk gevestigd 't Hoogt 4-6 te 3743 AT Baarn, ingeschreven in het handelsregister onder nummer 32163950, hierna te noemen: “het genootschap”, heeft in zijn vergadering van [...] op statutaire wijze besloten tot wijziging van de statuten van het genootschap.
  • Van de notulen van voormelde vergadering zal een exemplaar aan deze akte worden gehecht. De goedkeuring van de raad van toezicht als bedoeld in artikel 12 lid 1 van de statuten blijkt uit een mede-ondertekening van de notulen van voormelde vergadering door de voorzitter van de raad van toezicht.
  • Het genootschap is opgericht bij akte op achtentwintig december negentienhonderdeenenvijftig verleden voor notaris A.M. Vroom te Amsterdam.
  • Wijzigingen van de statuten hebben vervolgens plaatsgevonden bij akten op vier november negentienhonderdachtenzeventig verleden voor mr. A.G. Lubbers, destijds notaris te Amsterdam en op vier april negentienhonderdzevenennegentig verleden voor mr. C.C.J. Rietschoten, destijds te Amsterdam.
  • De statuten zijn gewijzigd vastgesteld bij akte op tien juni tweeduizend twee verleden voor mr. L.A. Galman, destijds notaris te Amsterdam.
  • De statuten zijn gewijzigd vastgesteld bij akte op twintig april tweeduizend tien verleden voor mr. Th.C.M. Smit, destijds notaris te Baarn.
  • De statuten zijn gewijzigd vastgesteld bij akte op zeventien december tweeduizend tien verleden voor voornoemde oud-notaris mr. L.A. Galman.
  • De statuten zijn laatstelijk gewijzigd vastgesteld bij akte op zeventien februari tweeduizend elf, verleden voor een waarnemer van voornoemde oud-notaris mr. L.A. Galman.
  • In voormelde vergadering werd de comparant aangewezen om van bedoelde statutenwijziging bij notariële akte te doen blijken.

Ter uitvoering van het vorenstaande verklaarde de comparant, handelend als gemeld dat de doorlopende tekst van de statuten van Het Apostolisch Genootschap gewijzigd komt te luiden als volgt:

Preambule

Het bestuur van Het Apostolisch Genootschap heeft besloten om bij de onderhavige statutenwijziging (onder andere):

  • de naam te wijzigen van ‘Het Apostolisch Genootschap’ in ‘Apostolisch Genootschap’;
  • de benamingen van de geestelijk verzorgers aan te passen;
  • de nieuw vastgestelde grondslag van het geloof en een nieuwe verwoording  van de missie en het doel van het genootschap in de statuten te verankeren;
  • enkele wijzigingen door te voeren in artikel 3.2 met betrekking tot geestelijke verzorging en jeugdverzorging, mede in verband met de in te voeren klachtenregeling en de introductie van een vertrouwenspersoon;
  • de mogelijkheden van toetreding als lidmaat in artikel 6.3 te verruimen.

STATUTEN

Hoofdstuk 1

Artikel 1.1. Naam en zetel

Het Apostolisch Genootschap is een rechtspersoon in de zin van artikel 2 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die zijn zetel heeft te Baarn, hierna ook te noemen “Apostolisch Genootschap” of “het genootschap”.

Artikel 1.2 Grondslag

Het Apostolisch Genootschap is een plaats voor religieus-humanistische zingeving en bouwt voort op de gezindheid van Jezus van Nazareth en van ongekend velen die hierin zijn voorgegaan. De grondslag van het geloof van de lidmaten van het Apostolisch Genootschap wordt als volgt verwoord:

De schepping ervaren we als een niet te bevatten mysterie, dat ons met ontzag vervult. We beseffen dat alle leven een eindig deel is van een oneindig, ondeelbaar geheel.

Omdat we geloven dat alle leven uit één oorsprong voortkomt, willen we elk mens als gelijkwaardig zien en steeds weer zoeken naar wat ons verbindt. We geloven dat de macht waaruit alles ontstaan is, ook in mensen werkzaam is en tot uitdrukking kan komen in liefdevol handelen. Vanuit dat besef willen we zin aan ons leven geven.

Als we het woord ‘God’ gebruiken, doen we dat om een naam te geven aan dat wat ons overstijgt en ontroert om zo, binnen de menselijke werkelijkheid, ruimte te maken voor het onzegbare. Wij ontlenen vertrouwen aan het vermogen om in alle levensomstandigheden een liefdevol mens te zijn of opnieuw te worden. Dat vertrouwen geeft ons moed in het eigen leven waarden als compassie, duurzaamheid en solidariteit beleefbaar te maken.

We voelen de verantwoordelijkheid om te kiezen voor deze waarden en willen in liefde werken aan een menswaardige wereld. Apostolisch-zijn is geloven en werken. Het geeft zin aan ons bestaan en draagt bij aan ons levensgeluk.

Het licht van de liefde willen we koesteren en van generatie op generatie overdragen.

Artikel 1.3 Missie, doel en middelen

  1. Op basis van deze grondslag stelt het genootschap zich ten doel mensen te inspireren om in liefde te werken aan een menswaardige wereld.
  2. Om dat te bereiken zijn er geloofsgemeenschappen en ontmoetingen op het gebied van zingeving en levenskunst. De maatschappelijke betrokkenheid uit zich in projecten en een verbindend opiniërend geluid.
  3. Het genootschap heeft geen winstoogmerk.

Artikel 1.4 Geografische indeling

  1. Het genootschap wordt op de wijze als door het bestuur bepaald, geografisch ingedeeld in districten, die op hun beurt zijn onderverdeeld in gemeenschappen. Een district of een gemeenschap kan ook buiten Nederland gevestigd zijn.
  2. Een district wordt geleid door één of meer districtsvoorgangers overeenkomstig de door de apostel of het bestuur te geven instructies.
  3. Een gemeenschap wordt geleid door één of meer voorgangers overeenkomstig de door de apostel of het bestuur te geven instructies.

Hoofdstuk 2 Besturing en organen

Artikel 2.1. Cultuur van de besluitvorming

De lidmaten van het genootschap willen in hun levenshouding openstaan voor nieuwe inzichten. Vanuit diezelfde houding zullen alle statutaire organen van het genootschap in het proces van besluitvorming zich open opstellen voor informatie die voor het te nemen besluit van belang kan zijn.

Artikel 2.2. Organen

Het genootschap kent de volgende organen:

  1. de apostel;
  2. de landelijke kring van geestelijk verzorgers;
  3. het bestuur;
  4. de raad van toezicht;
  5. de commissie regeling opvolging.

Leden van deze organen worden benoemd uit de in artikel 6 lid 1 sub a genoemde gewone lidmaten.

Hoofdstuk 3 Geestelijke verzorging

Artikel 3.1. Geestelijke verzorging, apostel en landelijk voorganger(s)

  1. Het doel van de geestelijke verzorging is de lidmaten naar vermogen nabij te zijn bij het waarmaken van de grondslag en het ideaal in het dagelijks leven, in alle levensfasen en levensomstandigheden. Bezielen, bewustmaken, individueel steunen en troosten zijn daarin belangrijke elementen.
  2. De apostel is geestelijk verzorger en eindverantwoordelijk voor de geestelijke verzorging en deelnemer in het verbond met de lidmaten. De apostel wordt in deze taak bijgestaan door de volgende geestelijk verzorgers: landelijk voorganger(s), districtsvoorgangers, voorgangers en (plaatselijk) geestelijk verzorgers. Zij worden als zodanig door of vanwege de apostel benoemd tijdens een eredienst of andere samenkomst. Daarnaast kan de apostel personen die hem en de landelijk voorganger(s) als adviseur of anderszins bijstaan in de geestelijke verzorging bij schriftelijk besluit tot algemeen geestelijk verzorger benoemen. Een landelijk voorganger heeft tot taak de apostel als naaste medewerker bij te staan in diens taak als geestelijke verzorger overeenkomstig de door de apostel te geven instructies. Eén landelijk voorganger heeft, met inachtneming van art. 4.1 lid 1 tweede volzin (meerdere landelijk voorgangers) zitting in de landelijke kring van geestelijk verzorgers, het bestuur en de commissie regeling opvolging.
  3. Indien de apostel meerdere landelijk voorgangers benoemt, bepaalt hij daarbij tevens aan welke van hen de in de laatste volzin van lid 2 genoemde posities toekomen.
  4. Indien er op enig moment geen landelijk voorganger is benoemd, vervult het langst aangewezen lid van de landelijke kring van geestelijk verzorgers de aan de landelijk voorganger toegekende taken en bevoegdheden, met uitzondering van het plaatsvervangend voorzitterschap van het bestuur. Zodra er een landelijk voorganger wordt benoemd, gaan deze taken en bevoegdheden van rechtswege over van het langst aangewezen lid van de landelijke kring van geestelijk verzorgers naar de alsdan benoemde landelijk voorganger.

Artikel 3.2 Geestelijk verzorgers en jeugdverzorgers

  1. Uitgangspunt binnen het genootschap is de inzet van onbezoldigde geestelijk verzorgers. De apostel is bevoegd van dit uitgangspunt af te wijken, als de apostel dat noodzakelijk acht voor een goede uitoefening van de taak als geestelijk verzorger.
  2. Geestelijk verzorgers zijn gewone lidmaten die door aanwijzing belast zijn met een liturgische, sociale, voorlichtende en toerustende taak. De geestelijk verzorgers zullen voor de uitvoering van hun taak mede een beroep doen op en gebruik maken van de diensten van de lidmaten.
  3. De geestelijke verzorging ten behoeve van de lidmaten vindt met name, maar niet uitsluitend, plaats in de gemeenschappen waartoe de lidmaten behoren. De geestelijke verzorging vindt onder andere plaats door het houden van erediensten en andere bijeenkomsten, alsmede in de jeugdverzorging.
  4. De jeugdverzorging in de gemeenschap vindt plaats in daartoe gevormde jeugdkringen door lidmaten als bedoeld in artikel 6.1 aanhef en a tot en met d.
  5. Voor de geestelijke verzorging en de jeugdverzorging kunnen landelijke richtlijnen worden vastgesteld die een gedragscode geven hoe te handelen in praktische situaties en waarin is vastgelegd wat als (on)gewenst gedrag wordt aangemerkt. Deze richtlijnen worden door de apostel of het bestuur vastgesteld en maken deel uit van het huishoudelijk reglement.
  6. Een geestelijk verzorger wordt door de apostel aangewezen, van die taak vrijgesteld, geschorst uit zijn taakuitoefening of ontslagen. Een schorsing of ontslag door de apostel geschiedt niet dan nadat de betrokkene is gehoord of in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden. De apostel kan zich bij deze besluiten laten adviseren door de landelijke kring van geestelijk verzorgers.
  7. Een jeugdverzorger wordt door de plaatselijke voorganger namens de apostel aangewezen en vrijgesteld. Hij kan door de apostel worden geschorst uit zijn taakuitoefening of worden ontslagen. Een schorsing of ontslag door de apostel geschiedt niet dan nadat de betrokkene is gehoord of in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden. De apostel kan zich bij deze besluiten laten adviseren door de landelijke kring van geestelijk verzorgers.
  8. Een geestelijk verzorger of jeugdverzorger die door opzegging het lidmaatschap van het genootschap beëindigt, verliest zijn aanwijzing van rechtswege.
  9. In beginsel worden op iedere zondag in de gemeenschappen erediensten gehouden, die worden geleid door een geestelijk verzorger die is aangewezen door of vanwege de apostel.
  10. Andere bijeenkomsten in de gemeenschap vinden plaats wanneer de districtsvoorganger of voorganger die gewenst of nodig acht.
  11. Er kunnen ook landelijke of districtsgewijze bijeenkomsten worden gehouden ten behoeve van de lidmaten.
  12. Er is een landelijke vertrouwenspersoon tot wie lidmaten zich kunnen wenden met een melding van een ervaring met ongewenst gedrag door een geestelijk verzorger of jeugdverzorger. De taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon worden vastgesteld bij bestuursbesluit.
  13. Het bestuur stelt een klachtenregeling in voor het behandelen van klachten over ongewenste gedragingen van geestelijk verzorgers of jeugdverzorgers. Het bestuur kan tevens klachtenregelingen voor andere onderwerpen vaststellen. Een klachtenregeling maakt deel uit van het huishoudelijk reglement.

Artikel 3.3. Landelijke kring van geestelijk verzorgers

  1. De landelijke kring van geestelijk verzorgers bestaat uit de apostel als voorzitter, de landelijk voorganger(s) en de districtsvoorgangers. Voorts kunnen daarvan deel uitmaken personen die daarvoor speciaal door de apostel zijn aangewezen. De apostel kan een secretaris aanwijzen die niet noodzakelijkerwijs uit het midden van de landelijke kring van geestelijk verzorgers komt.
  2. De landelijke kring van geestelijk verzorgers staat de apostel bij in de geestelijke verzorging van de lidmaten van het genootschap. Deze taak houdt tevens in het voorbereiden op de verzorging van de eredienst op zondag of tijdens andere gelegenheden.
  3. De landelijke kring van geestelijk verzorgers kan door een besluit van de apostel op incidentele basis uitgebreid worden met alle voorgangers. In die samenstelling heeft de landelijke kring van geestelijk verzorgers de bevoegdheid de apostel en het bestuur te adviseren over aan de landelijke kring voorgelegde onderwerpen.
  4. Bij afwezigheid van de apostel treedt de landelijk voorganger, die daartoe is aangewezen, op als plaatsvervangend voorzitter. Als er geen landelijk voorganger benoemd is, zal deze taak tijdelijk vervuld worden door de districtsvoorganger die het langst deel uitmaakt van de landelijke kring van geestelijk verzorgers.
  5. Zij komen regelmatig, zo mogelijk iedere week, samen om zich op deze taak te bezinnen. Zij geven onder andere leiding aan de samenkomsten die districtsgewijze worden gehouden met de plaatselijke geestelijk verzorgers ter voorbereiding van de verzorging van de erediensten.
  6. De landelijke kring van geestelijk verzorgers heeft de bevoegdheid gevraagd en ongevraagd advies te geven aan de overige organen van het genootschap over zaken die de geestelijke verzorging betreffen.

Hoofdstuk 4 Bestuur

Artikel 4.1. Bestuur

  1. Het genootschap wordt bestuurd door het bestuur, bestaande uit de apostel als voorzitter, alsmede een aantal gewone bestuursleden van ten minste vier personen. Indien een of meerdere landelijke voorgangers zijn benoemd, is daarnaast op grond van artikel 3.1. lid 2 en 3 van deze statuten één landelijk voorganger, door de apostel als zodanig aangewezen, lid en plaatsvervangend voorzitter van het bestuur.
  2. Tot de competentie van het bestuur behoren de bestuurlijke zorg en de beleidsmatige verantwoordelijkheid voor alle aangelegenheden het genootschap betreffende, behoudens zaken die bij of krachtens de statuten tot de specifieke verantwoordelijkheid van de apostel behoren.
  3. Een lid van het bestuur kan niet tevens lid zijn van de raad van toezicht. Van de gewone bestuursleden kan de meerderheid geen deel uitmaken van de overige organen van het genootschap.
  4. Indien het bestuur te eniger tijd naast de apostel en in voorkomende gevallen een landelijk voorganger uit minder dan drie gewone bestuursleden bestaat, blijft het niettemin een wettig college vormen. Wel dient het aantal gewone bestuursleden zo spoedig mogelijk doch bij voorkeur binnen drie maanden te worden teruggebracht tot op het minimum aantal van drie.
  5. Een gewoon bestuurslid wordt benoemd door het bestuur.
  6. Een gewoon bestuurslid kan te allen tijde door een eenstemmig besluit van alle andere bestuurders worden ontslagen of geschorst. Het besluit tot ontslag kan pas worden genomen, nadat het betrokken bestuurslid heeft kunnen reageren op het aan hem kenbaar gemaakte voornemen tot zijn ontslag.
  7. Het bestuur is bevoegd tot schorsing van een gewoon bestuurslid, indien het functioneren van het bestuur door het gedrag of het nalaten van het betreffende bestuurslid op ontoelaatbare wijze wordt belemmerd of beschadigd.
  8. De duur van de schorsing is maximaal twee maanden en kan niet eerder worden opgelegd dan nadat het bestuur het desbetreffende bestuurslid haar voornemen tot schorsing heeft meegedeeld en het lid de gelegenheid heeft gekregen op dit voornemen te reageren. Over dit voornemen tot schorsing wordt de raad van toezicht terstond geïnformeerd.
  9. De gewone bestuursleden worden telkens benoemd voor een periode van vier jaar. Gewone bestuursleden kunnen maximaal twee keer herbenoemd worden.
  10. Gewone bestuursleden treden af volgens een rooster dat door het bestuur is opgesteld; een volgens het rooster aftredend bestuurslid is onmiddellijk herbenoembaar. Een in een tussentijdse vacature benoemd lid neemt de plaats in van degene in wiens vacature het lid werd benoemd.
  11. Het bestuur is verplicht in zaken die de geestelijke verzorging betreffen de landelijke kring van geestelijk verzorgers om advies te vragen.
  12. De functie van bestuurslid is onbezoldigd. Aan bestuurders kan wel een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld worden toegekend.

Artikel 4.2 Bestuursvergaderingen

  1. Bestuursvergaderingen worden door de voorzitter of twee gewone bestuursleden bijeengeroepen zo dikwijls hij/zij dit nodig acht(en).
  2. Ieder kalenderkwartaal wordt ten minste één vergadering gehouden.
  3. De oproeping tot de vergadering geschiedt ten minste zeven dagen tevoren, de dag van de oproeping en die van de vergadering niet meegerekend, door middel van oproepingsbrieven.
  4. De oproepingsbrieven vermelden, behalve plaats en tijdstip van de vergadering, de te behandelen onderwerpen.
  5. Zolang in een bestuursvergadering alle bestuursleden aanwezig zijn, kunnen geldige besluiten worden genomen over alle aan de orde komende onderwerpen, mits met algemene stemmen, ook al zijn de door de statuten gegeven voorschriften voor het oproepen en houden van vergaderingen niet in acht genomen.
  6. De vergaderingen worden geleid door de voorzitter. De voorzitter kan, indien geen landelijk voorganger is aangewezen, een vervanger aanwijzen. Bij afwezigheid van de voorzitter, de landelijk voorganger of een door de apostel aangewezen vervanger, voorziet het bestuur zelf in de leiding van de vergadering.
  7. Het bestuur kan een secretaris aanwijzen die niet noodzakelijkerwijs uit zijn midden komt.

Artikel 4.3 Bestuursbesluiten/stemming

  1. Het bestuur kan ter vergadering alleen dan geldige besluiten nemen, indien de meerderheid van de bestuursleden ter vergadering aanwezig is of vertegenwoordigd is. De apostel moet in elk geval in de vergadering aanwezig zijn of vertegenwoordigd zijn.
  2. Ieder bestuurslid heeft het recht tot het uitbrengen van één stem. Voor zover deze statuten geen grotere meerderheid voorschrijven besluit het bestuur bij volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen met dien verstande dat de stem van de apostel tot die meerderheid moet behoren.
  3. Een bestuurslid kan zich ter vergadering door een ander bestuurslid laten vertegenwoordigen onder overlegging van een schriftelijke, ter beoordeling van de voorzitter van de vergadering voldoende, volmacht. Een bestuurslid kan daarbij slechts voor één ander bestuurslid als gevolmachtigde optreden.
  4. Het bestuur kan ook buiten vergadering besluiten nemen, mits alle bestuursleden in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk, al dan niet per enig telecommunicatiemiddel, hun mening te uiten. Het voorstel wordt gepromoveerd tot besluit, indien alle bestuursleden unaniem met het besluit instemmen.

       Van een aldus genomen besluit wordt onder bijvoeging van de ingekomen antwoorden door de secretaris een relaas opgemaakt, dat na medeondertekening door de voorzitter bij de notulen wordt gevoegd.

  1. Van het verhandelde in bestuursvergaderingen worden notulen gehouden. Deze notulen zullen in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering worden vastgesteld en goedgekeurd en ten blijke daarvan door de voorzitter en de secretaris of een gewoon bestuurslid worden ondertekend. De bij het besluit behorende bewijsstukken moeten bij de notulen worden bewaard.
  2. Alle stemmingen ter vergadering geschieden mondeling, tenzij een bestuurslid vóór de stemming een schriftelijke stemming verlangt. Schriftelijke stemming geschiedt bij ongetekende, gesloten briefjes.
  3. Blanco stemmen worden beschouwd als niet te zijn uitgebracht.
  4. In alle geschillen omtrent stemmingen, niet bij de statuten voorzien, beslist de voorzitter van de vergadering.
  5. Alle besluiten van het bestuur worden ter kennis gebracht van de raad van toezicht.

Artikel 4.4. Bestuursbevoegdheid

  1. Het bestuur is belast met het besturen van het genootschap.
  2. Het bestuur is bevoegd:
    1. tot het verrichten van alle handelingen die voor het realiseren van het doel van het genootschap nodig of wenselijk worden geacht.
    2. te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen.
    3. onder handhaving van zijn eigen verantwoordelijkheid, tot het instellen, wijzigen en opheffen van commissies die het bestuur kunnen helpen bij het verwezenlijken van het doel van het genootschap overeenkomstig de door het bestuur te geven instructies.
    4. op grond van artikel 2:2 Burgerlijk Wetboek tot het instellen van zelfstandige onderdelen.

Artikel 4.5. Vertegenwoordiging

  1. De bevoegdheid tot vertegenwoordiging van het genootschap komt toe aan:
    1. het bestuur;
    2. de voorzitter van het bestuur;
    3. twee gezamenlijk handelende bestuursleden.
  2. Het bestuur kan bij notariële akte één of meer procuratiehouders aanstellen, die volgens hun procuratie het genootschap kunnen vertegenwoordigen.
  3. Het bestuur kan schriftelijk volmacht verlenen aan één of meer bestuursleden, alsook aan derden, om het genootschap, binnen de grenzen van die volmacht en onder zodanige voorwaarden als in de volmacht zal worden bepaald, te vertegenwoordigen.

Artikel 4.6. Einde bestuurslidmaatschap

Het bestuurslidmaatschap eindigt - voor wat de gewone bestuursleden betreft - door:

  1. beëindigen van het gewone lidmaatschap van het genootschap;
  2. schriftelijk bedanken door het bestuurslid;
  3. niet opnieuw benoemen van het bestuurslid na periodiek aftreden;
  4. overlijden van het bestuurslid;
  5. faillissement, surseance van betaling, ondercuratelestelling of onderbewindstelling van het bestuurslid danwel het van toepassing worden van de wettelijke schuldsaneringsregeling;
  6. ontslag;
  7. lid worden van de raad van toezicht.

Hoofdstuk 5 Raad van toezicht

Artikel 5.1. Samenstelling en bevoegdheden raad van toezicht

  1. Het toezicht op het beleid van het bestuur is opgedragen aan de raad van toezicht. De raad van toezicht bestaat uit minimaal drie personen.
  2. Aan de goedkeuring van de raad van toezicht zijn onderworpen de besluiten van het bestuur strekkende tot:
    1. wijziging van de statuten;
    2. vaststelling, wijziging of aanvulling van het huishoudelijk reglement;
    3. ontbinding en vereffening van het genootschap;
    4. benoeming van een externe accountant;
    5. vaststelling van de jaarstukken;
    6. vaststelling van de begroting;
    7. benoeming en ontslag van een gewoon lid van het bestuur.
  3. De raad van toezicht kan op grond van artikel 7.1 (benoeming apostel) taken te vervullen krijgen.
  4. Het bestuur verschaft de raad van toezicht tijdig voor de uitoefening van diens taken en bevoegdheden noodzakelijke gegevens en voorts aan ieder lid van de raad van toezicht alle inlichtingen betreffende de aangelegenheden van het genootschap die deze mocht verlangen. De raad van toezicht is bevoegd inzage te nemen en te doen nemen van alle boeken, bescheiden en correspondentie van het genootschap. Ieder lid van de raad van toezicht heeft te allen tijde toegang tot alle bij het genootschap in gebruik zijnde ruimtes en terreinen. Onder correspondentie wordt niet verstaan die correspondentie geschreven aan en verzonden door de apostel in het kader van de geestelijke verzorging. De raad van toezicht kan zich voor rekening van het genootschap in de uitoefening van zijn taak doen bijstaan door een of meer deskundigen.
  5. De raad van toezicht heeft de bevoegdheid besluiten van het bestuur te vernietigen, indien het bestuur:
    1. in strijd met de wet of de statuten heeft gehandeld;
    2. bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen;
    3. van zijn bevoegdheid een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden waarvoor die bevoegdheid gegeven is.

Artikel 5.2 Benoeming en aftreden raad van toezicht

  1. Een lid van de raad van toezicht wordt benoemd en ontslagen door het bestuur, tenzij de raad van toezicht tegen de voorgenomen benoeming bezwaar maakt op grond van de verwachting dat de voorgedragen persoon ongeschikt zal zijn voor de vervulling van zijn taak of dat de raad van toezicht bij benoeming overeenkomstig het voornemen niet naar behoren zal zijn samengesteld.
  2. Een lid van de raad van toezicht kan niet tegelijk zijn lid van de commissie regeling opvolging, bestuurslid of lid van de landelijke kring van geestelijke verzorgers.
  3. De raad benoemt uit zijn midden een voorzitter.
  4. Een lid van de raad van toezicht wordt benoemd voor de periode van vijf jaar.
  5. De leden van de raad van toezicht treden af volgens een rooster opgemaakt door de raad van toezicht. Een volgens het rooster aftredend lid is onmiddellijk herbenoembaar. Een in een tussentijdse vacature benoemd lid neemt de plaats in van degene in wiens vacature het lid werd benoemd. Leden van de raad van toezicht kunnen maximaal een keer herbenoemd worden. Een tweede herbenoeming voor maximaal vijf jaar is toegestaan, indien de adequate opvolging van een lid van de raad van toezicht dit noodzakelijk maakt.
  6. Afgezien van periodiek aftreden volgens rooster eindigt het lidmaatschap van de raad van toezicht door:
    1. beëindigen van het gewone lidmaatschap van het genootschap;
    2. schriftelijk bedanken door het lid;
    3. overlijden, faillissement, surseance van betaling, ondercuratelestelling of onderbewindstelling van het lid, danwel van toepassing worden van de wettelijke schuldsaneringsregeling met betrekking tot het lid;
    4. ontslag;
    5. ingeval een omstandigheid in lid 2 genoemd zich voordoet.
  7. In alle gevallen waarin de raad van toezicht een besluit neemt, wordt er bij meerderheid van stemmen een besluit genomen.
  8. Mochten in de raad van toezicht om welke reden dan ook een of meer leden ontbreken, dan vormen de overblijvende leden of vormt het enig overblijvend lid niettemin een wettige raad van toezicht. In de vacatures wordt zo spoedig mogelijk doch bij voorkeur binnen drie maanden voorzien.

Hoofdstuk 6 Lidmaten, jeugdlidmaten, aspirant-lidmaten en sympathisanten

Artikel 6.1 Soorten lidmaatschap

Het genootschap kent de volgende vormen van lidmaatschap:

  1. gewone lidmaten
  2. jeugdlidmaten
  3. aspirant-lidmaten
  4. sympathisanten.

De lidmaatschapsvormen genoemd onder b tot en met d worden nader uitgewerkt in het huishoudelijk reglement. Het bestuur kan nadere voorwaarden verbinden aan elke vorm van lidmaatschap.

Artikel 6.2. Lidmatenadministratie

Er is een lidmatenadministratie, waarin de lidmaten, jeugdlidmaten, aspirant-lidmaten en sympathisanten worden ingeschreven, alsmede de beëindiging van het op deze wijze bij het genootschap betrokken zijn en elke wijziging in deze betrokkenheid. In de lidmatenadministratie worden voorts alle door het bestuur gewenste gegevens opgenomen, zoals bijvoorbeeld de functies in het genootschap en verdere taken.

Artikel 6.3 Gewone lidmaten

  1. Gewone lidmaten van het genootschap zijn zij, die:
    1. meerderjarig zijn, en
    2. de missie en het doel van het genootschap onderschrijven, en
    3. hebben aangegeven als lidmaat te willen worden aangemerkt en als lidmaat zijn aangenomen.
  2. Toetreden als gewoon lidmaat vindt plaats door middel van inwilliging van het verzoek lidmaat te worden. De wijzen waarop toetreding kan plaatsvinden, worden nader geregeld in het huishoudelijk reglement.
  3. Het gewone lidmaatschap van het genootschap eindigt door:
    1. overlijden van de gewone lidmaat;
    2. opzegging door de gewone lidmaat;
    3. het verkrijgen van de status van sympathisant op verzoek van het gewone lid;
    4. opzegging door het genootschap.

Artikel 6.4. Opzegging door het genootschap

  1. Opzegging namens het genootschap geschiedt bij alle vormen van lidmaatschap bij besluit van het bestuur. Van dit besluit wordt de betrokkene in kennis gesteld.
  2. Opzegging namens het genootschap kan geschieden wanneer:
    1. een lidmaat, jeugdlidmaat, aspirant-lidmaat of sympathisant door woord en/of daad te kennen geeft op te houden met de in het eerste lid genoemde missie en het doel van het genootschap te onderschrijven;
    2. van het genootschap redelijkerwijs niet meer kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren. Dit kan onder meer het geval zijn, wanneer een lidmaat, jeugdlidmaat, aspirant-lidmaat of sympathisant in strijd handelt met de belangen van het genootschap of onmaatschappelijk gedrag vertoont, een en ander leidende tot schade van de eer en goede naam van het genootschap.

Artikel 6.5 Verplichting lidmaten

De gewone lidmaten verplichten zich naar vermogen financiële aanbiedingen te brengen. De drang tot de vervulling van deze financiële verplichting berust in ieders geweten.

Hoofdstuk 7 Benoeming en opvolging

Artikel 7.1. Benoeming van de apostel

  1. De apostel benoemt zijn opvolger. De benoeming kan geschieden bij leven of voor het tijdvak na zijn overlijden. Van de benoeming bij leven door de apostel van zijn opvolger moet blijken uit een notariële akte. Een zodanige benoeming houdt tevens in het terugtreden van de benoemende apostel. De benoeming van de apostel voor het tijdvak na zijn overlijden moet blijken uit een aan een notaris in bewaring gegeven en door die notaris genoegzaam gewaarmerkte akte, zonder dat echter van die benoeming uit een notariële of holografische akte behoeft te blijken.
    Ten genoegen van de benoemende apostel kan de benoeming tevens een subsidiaire en meer subsidiaire (enzovoorts) benoeming inhouden en kan daarvan uit afzonderlijke akten blijken welke op overeenkomstige wijze als in de voorgaande zin in bewaring van een notaris zijn gegeven.
    De inbewaringgeving dient zo geregeld te zijn dat de desbetreffende akte(n) door de notaris kan/kunnen worden afgegeven aan de apostel zelf of, uitsluitend in geval van overlijden of ontslag van de apostel, aan de commissie regeling opvolging.
    Voor het geval de afgifte plaatsvindt aan de commissie regeling opvolging dient de regeling zodanig te zijn, dat met uitsluiting van ieder ander de notaris vaststelt, door opening en kennisneming van de desbetreffende akte(n), wie de nieuwe apostel is.
  2. De commissie regeling opvolging is met uitsluiting van ieder ander bevoegd kennis te nemen van de vaststelling als bedoeld in de laatste zin van het vorig lid.
  3. Indien de apostel geen opvolger heeft benoemd of de benoeming niet kan worden uitgevoerd, doet de commissie regeling opvolging verslag van haar bevindingen aan de door haar bijeen te roepen gezamenlijke vergadering van de landelijke kring van geestelijk verzorgers, het bestuur en de raad van toezicht.
    De commissie regeling opvolging is alsdan belast met de benoeming van een apostel en heeft de bevoegdheid hiertoe in overleg te treden met eenieder, met wie zij dat wenselijk acht.
  4. In geval van opvolging na overlijden van de apostel treedt de opvolgende apostel in functie door bevestiging als zodanig in een eredienst, die zo spoedig mogelijk door de commissie regeling opvolging wordt bijeengeroepen en door de landelijk voorganger, die lid is van de commissie regeling opvolging, wordt geleid.
  5. a. Indien de landelijke kring van geestelijk verzorgers, het bestuur of de raad van toezicht van oordeel is dat de apostel buiten staat is zijn taken en bevoegdheden naar behoren uit te oefenen, wordt onder overlegging van daartoe strekkende stukken een gezamenlijke vergadering van landelijke kring van geestelijk verzorgers, bestuur, de raad van toezicht en de commissie regeling opvolging bijeengeroepen, onder voorzitterschap van de landelijk voorganger, die lid is van de commissie regeling opvolging. De apostel wordt zo mogelijk gehoord over het voornemen tot buitenstaatverklaring. Indien tweederde van de gezamenlijke vergadering oordeelt, dat de apostel buiten staat is zijn taken en bevoegdheden naar behoren uit te oefenen, is daarmee de apostel tijdelijk of permanent ontheven van zijn taken en bevoegdheden. De landelijk voorganger, die lid is van de commissie regeling opvolging, dient bij de besluitvorming tot deze meerderheid te behoren. Indien de landelijk voorganger die lid is van de commissie regeling opvolging, niet tot deze meerderheid behoort, dient er sprake te zijn van een meerderheid van drievierde van deze vergadering.
    b. Indien de apostel tijdelijk buiten staat is verklaard om zijn bevoegdheden en taken uit te oefenen en de omstandigheden nadien zodanig zijn gewijzigd, dat de apostel weer in staat is zijn functie te vervullen, wordt zulks door de genoemde gezamenlijke vergadering vastgesteld, Dit besluit, met dezelfde meerderheid als genoemd onder artikel 5 lid a, van de gezamenlijke vergadering treedt onmiddellijk in werking en de apostel herkrijgt zijn bevoegdheden en taken.
    c. Een besluit inhoudende dat de apostel permanent buiten staat is zijn taken en bevoegdheden uit te oefenen, houdt tevens in het ontheffen vanuit zijn taken en bevoegdheden.
  6. In geval van opvolging na overlijden van de apostel, worden, gedurende de periode dat de opvolgende apostel nog niet in functie is getreden, alsmede gedurende de periode dat de apostel tijdelijk of permanent buiten staat is zijn bevoegdheden en taken te verrichten, deze taken en bevoegdheden uitgeoefend door  de landelijk voorganger(s), de landelijke kring van geestelijk verzorgers en de overige leden van het bestuur.
  7. Indien besloten is dat de apostel permanent buiten staat is zijn taken en bevoegdheden te vervullen, treedt uiterlijk binnen drie maanden na dit besluit de onder lid 1 tot en met 3 van dit artikel beschreven procedure tot benoeming van een nieuwe apostel in werking.

Artikel 7.2. Commissie regeling opvolging

  1. De commissie regeling opvolging bestaat uit drie personen. In alle gevallen waarin de commissie regeling opvolging een besluit neemt, is unanimiteit vereist.
  2. Een lid van de commissie regeling opvolging wordt door de apostel benoemd en ontslagen bij notariële akte.
  3. Benoeming en ontslag worden schriftelijk kenbaar gemaakt aan het bestuur, de raad van toezicht en de landelijke kring van geestelijk verzorgers. Tevens wordt de samenstelling van de commissie alsdan door het bestuur vermeld in het publicatieblad van het genootschap.
  4. De apostel gaat eerst over tot benoeming of ontslag van een lid van de commissie regeling opvolging na overleg met de landelijke kring van geestelijk verzorgers.
  5. Een lid van de commissie regeling opvolging wordt benoemd voor een periode van drie jaar en is onbeperkt herbenoembaar door de apostel. Ingeval van herbenoeming is geen notariële akte vereist.
  6. Het lidmaatschap van de commissie regeling opvolging eindigt door:
    1. beëindigen van het gewone lidmaatschap van het genootschap;
    2. schriftelijk bedanken door het lid;
    3. overlijden van het lid;
    4. faillissement, surseance van betaling, ondercuratelestelling of onderbewindstelling van het lid.
    5. ontslag.
  7. Een lid van de commissie regeling opvolging kan niet tevens zijn lid van de raad van toezicht.

Hoofdstuk 8 Financiële bepalingen

Artikel 8.1. Geldmiddelen

  1. De geldmiddelen van het genootschap bestaan uit:
    1. de financiële aanbiedingen van de lidmaten;
    2. subsidies en donaties;
    3. erfstellingen, legaten en schenkingen;
    4. opbrengsten uit vermogensbestanddelen;
    5. alle andere verkrijgingen en baten.
  2. Erfstellingen mogen door het genootschap niet anders dan onder voorrecht van boedelbeschrijving worden aanvaard.
  3. Uit de in lid 1 vermelde geldmiddelen worden alle lasten van het genootschap bestreden.

Artikel 8.2. Boekjaar

Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8.3. Begroting en jaarrekening

  1. Het bestuur is verplicht om uiterlijk een maand voor het begin van een boekjaar een begroting op te stellen voor dat boekjaar.
  2. Het bestuur benoemt een registeraccountant die belast wordt met het onderzoek van de jaarstukken, die door het bestuur zijn opgemaakt. Tevens formuleert het bestuur de opdracht aan de registeraccountant.
  3. Het bestuur stelt de jaarrekening vast.
  4. Binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar dient het bestuur de jaarrekening en het jaarverslag ter goedkeuring aan de raad van toezicht voor te leggen. Het bestuur legt hierbij de verklaring van de registeraccountant houdende bevindingen, almede door de accountant opgestelde managementletter aan de raad van toezicht over.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 9.1. Statutenwijziging

De statuten kunnen worden gewijzigd door het bestuur na verkregen goedkeuring van de raad van toezicht.

Artikel 9.2. Huishoudelijk reglement

Er kan een huishoudelijk reglement worden vastgesteld, gewijzigd of aangevuld door het bestuur na verkregen goedkeuring van de raad van toezicht.

Artikel 9.3 Ontbinding

  1. Een besluit tot ontbinding van het genootschap wordt genomen door het bestuur na verkregen goedkeuring van de raad van toezicht. De vereffening geschiedt door het bestuur dan wel een persoon door het bestuur benoemd.
  2. Hetgeen na voldoening van alle schulden van het vermogen van het ontbonden genootschap overblijft wordt besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling in de zin van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen met een soortgelijke doelstelling.

Artikel 9.4 Onvoorziene gevallen

In alle gevallen waarin de statuten of het huishoudelijk reglement niet voorzien, beslist het bestuur.

SLOT

De comparant is mij, notaris, bekend.

Deze akte, opgemaakt in minuut, is verleden te Amsterdam op de datum als in het hoofd van deze akte vermeld.

Nadat de inhoud van deze akte zakelijk aan de comparant is opgegeven en toegelicht, heeft deze verklaard van de inhoud van deze akte te hebben kennisgenomen en op volledige voorlezing daarvan geen prijs te stellen.

Vervolgens is deze akte na beperkte voorlezing overeenkomstig de wet door de comparant en mij, notaris, ondertekend.