Het verhaal van Michel

mensen-van-vandaag-michel-header.jpg
mensen-van-vandaag-michel-breed-2.jpg
Michel: “Eigenlijk ben ik blij dat de Nashville-verklaring is gepubliceerd”

“Het gaat erom wie je als persoon bent”

“Iedereen heeft recht op zijn of haar eigen mening. Maar de Nashville-verklaring gaat voor mij totaal voorbij aan het uitgangspunt van gelijkwaardigheid van mensen.”

“Bovendien is voor mij het beeld van een regerende, denkende, persoonlijke God, die een ‘heilsplan’ zou hebben waar sommige van zijn creaties wel of niet in zouden passen, zó achterhaald en discriminerend. Ik vind het onvoorstelbaar dat weldenkende mensen daar in geloven.

Toch ben ik blij dat de Nashville-verklaring gepubliceerd is. De vele tegenreacties van allerlei scholen, instellingen en organisaties geven me hoop. Solidariteit wordt nu heel zichtbaar.

Voorganger
Ik heb in mijn omgeving nooit problemen ervaren met mijn homoseksualiteit. Niet op mijn werk, niet binnen het Apostolisch Genootschap, waar ik ook voorganger van een gemeenschap ben. Daar geloven we in de fundamentele gelijkwaardigheid van mensen. Geaardheid, geslacht of etnische achtergrond doen niet ter zake, het gaat erom wie je als persoon bent.

 

“We zijn mensen, we zijn gelijkwaardig en we hebben van daaruit respect voor elkaar”

Nu ik een relatie heb, en weleens hand in hand loop met mijn vriend, valt het mij wel op dat sommige mensen naar ons kijken. Ik ben me eigenlijk altijd bewust van het feit dat ik in die zin niet gemiddeld ben, maar ik trek me er niet te veel van aan. Toen we bij mijn ouders in Klazienaveen over straat liepen vroeg mijn vriend of we daar wel hand in hand konden lopen. Toen zei ik: “We lopen hier hand in hand. Of het kan of niet.”

Ontspannen omgang
Als ik denk aan de toekomst, dan hoop ik op een ontspannen omgang met seksuele en relationele diversiteit. En daar hoort ook humor bij, en nieuwsgierige vragen. Maar de grondtoon is: we zijn mensen, we zijn gelijkwaardig en we hebben van daaruit respect voor elkaar.”

Tekst: Margot de Bruin
Fotografie: Edwin Stuivenberg